Veertig jaar heeft die man tegen me gezegd dat ik mijn keu verkeerd vasthield. Veertig jaar. En hij had gelijk. Ik kom vrijdag, in het rood.
Wim belde me op een dinsdagavond in 2011, toen ik net mijn baan kwijt was. Hij zei niks bijzonders. Hij kwam gewoon langs met soep. Dat is wie hij was.
Onze kinderen noemden hem opa Wim. Hij vond dat prima. Wij ook.
Vierendertig jaar naast elkaar gewoond. Ze kwam altijd even langs met iets uit de oven, ook als er niets te vieren was.
Als kind logeerde ik er elke zomer een week. Ik mocht altijd opblijven tot de film afgelopen was, en dat bleef ons geheim.
Wij denken aan de familie. Ze heeft hier zoveel mensen door een moeilijke nacht heen geholpen.
Ze speelde scherp en ze verloor slecht. Dat mag ook gezegd worden.
Zij is degene die mij heeft leren fietsen, op het pleintje achter het huis. Mijn moeder durfde het niet aan.
Sterkte gewenst met dit grote verlies. Wij denken aan jullie.
Elke donderdag stond ze er, tot vorig jaar. Altijd met een boek dat ze speciaal voor iemand apart had gelegd.
Namens de hele straat: het was een voorrecht haar te kennen.
Ze heeft me opgenomen alsof ik er altijd al bij hoorde. Dat vergeet ik nooit.